Beroepsonderwijs Afghanistan zit verlegen om hulp

Door Sahar Noor

Nederlandse hulpverlener John Langerak hekelt Haagse zuinigheid

KABUL – „Het beroepsonderwijs in Afghanistan is heel slecht. Men heeft hier nauwelijks middelen om een goede start te maken en het onderwijs gestalte te geven. Veel scholen zijn door de burgeroorlog verwoest en er zijn weinig boeken voor studenten. Het gevolg is grote werkloosheid onder jongeren, maar ook de wederopbouw van Afghanistan lijdt hieronder. Hoog tijd dat er hulp komt uit het Westen, met name uit Nederland.”

John Langerak, bestuurslid van de Algemene Coördinatieraad van Afghanen in Nederland (SchoolSupport4Afghanistan) en docent werktuigbouwkunde aan het ROC Westerschelde te Terneuzen, maakt zich grote zorgen over het onderwijs in Afghanistan. Op eigen initiatief is hij -alweer voor de vierde keer- zes weken naar Afghanistan geweest, waar hij het niveau van het beroepsonderwijs onder de loep heeft genomen. Via goede contacten bij het ministerie van Onderwijs in Afghanistan heeft hij toegang gekregen tot scholen om te inventariseren wat er allemaal tekortschiet qua kennis en middelen.

„In het beroepsonderwijs wordt nog steeds lesgegeven met bord en krijt. Ik heb veel respect voor al die docenten die hun best doen om de jongeren te ontwikkelen, maar het niveau is erg laag. De docenten geven les uit sterk verouderde boeken. Ze dateren nog uit de tijd dat de Russen hier zaten, en staan vol met fouten. Zo ontdekte ik veel natuurkundige en wiskundige fouten. En juist die boeken worden nu herdrukt omdat er geen goed alternatief is. Bovendien worden de boeken qua moraal volledig bepaald door de tijd van de Russische invasie. Zo heb ik er een in mijn hand gehad waarin plaatjes stonden met de volgende rekensommetjes: twee Russische kalasjnikovs + twee Russische kalasjnikovs = vier Russische kalasjnikovs. Daar horen geen kalasjnikovs te staan maar appels of peren!

Verder hebben de universiteiten onvoldoende capaciteit. Van de 30.000 studenten die zich jaarlijks aanmelden kan nog niet de helft worden geplaatst. Via een soort toelatingstoets worden studenten geselecteerd, zodat ook degenen die uit verafgelegen provincies komen een kans hebben. De 17.000 à 18.000 die afvallen hebben geen alternatieve studiemogelijkheid. Daarnaast hebben sommige onderwijsinstellingen niet eens een eigen onderkomen. Veel gebouwen zijn door de oorlog verwoest, waardoor studenten les krijgen in een tent of zelfs in de buitenlucht”, aldus Langerak.

Langerak ontdekte verder dat er in Afghanistan geen centraal onderwijsorgaan of instituut is dat het beroepsonderwijs controleert en toetst aan normen en regels. Docenten halen de lesstof uit oude boeken, bedenken de examenstof zelf en kijken de toetsen ook zelf na. Er is geen enkel orgaan dat de hele procedure inspecteert. Dat heeft volgens Langerak ook te maken met het feit dat er geen schoolwerkplan bestaat. Docenten geven les op de manier die volgens hen goed is en niet conform een landelijk werkplan.

„Onderwijs is intussen wel de basis van alles. Heeft iemand geen onderwijs genoten en kan hij of zij niet lezen en schrijven, dan kun je met hem of haar ook geen discussie voeren. Ik heb vijf jaar geleden ook de Taliban nog meegemaakt. Die wisten alleen hoe je kon schieten met een geweer. Met hen praten kon niet, laat staan discussiëren. Op dit moment ontbreekt zowel de elite als de middenklasse in Afghanistan. Leden van deze twee sociale lagen zijn allemaal gevlucht en zitten verspreid in Europa en Amerika.”

Langerak probeerde Nederland al in 2000 geïnteresseerd te krijgen voor het Afghaanse beroepsonderwijs. Maar hij kreeg toen niet de respons waar hij op hoopte. Kort gezegd kwam die op het volgende neer: „Wij sturen alleen krijtjes naar Afghanistan.” „Er zijn genoeg dozen vol krijtjes in Afghanistan, zelfs zo veel dat ze niet weten wat ze ermee moeten”, zegt hij. „Het is tijd voor het echte werk. Nederland loopt achter de feiten aan. Kijk naar de Duitsers, bijna al het middelbare onderwijs in Afghanistan is door hen op gang gebracht. Zij doen bijna al het sponsorwerk van middelbare scholen in Afghanistan. Nederland zou hetzelfde moeten doen voor het Afghaanse beroepsonderwijs.”

Vlak vóór zijn vertrek naar Afghanistan had hij hierover nog een gesprek met Annette Nijs, tot voor kort staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en nu lid van de Tweede-Kamerfractie van de VVD, en met Ehsan Turabaz van de NCH (een organisatie die zich inzet voor handelsbevordering tussen Nederland en Afghanistan). Tijdens zijn verblijf heeft Langerak per e-mail contact met hen gehouden, en dat heeft geresulteerd in vervolgoverleg.

„Je hoeft geen containers vol materiaal daar naartoe te sturen. Je moet kijken wat je kunt doen met de beperkte middelen die je hebt. Zo heb ik met 800 dollar die ik van de gereformeerde kerk in Terneuzen heb gekregen en een bedrag dat SchoolSupport4Afghanistan inlegde, een opleiding installatietechniek in Kabul en eentje voor elektrotechniek in Jalalabad opgezet.”

Langerak legt uit dat hij eerst een inventarisatie heeft gemaakt van middelen die ze in Kabul en Jalalabad nodig hadden om een goede start te kunnen maken. Vervolgens is hij met die lijst naar de plaatselijke bazaar gegaan om de prijzen te bepalen. „Daarna heb ik hamers, tangen, schroevendraaiers en ander gereedschap gekocht. Dat is ook nog eens goed voor de economie, want ik heb dat materiaal op de plaatselijke markt aangeschaft. De leraren en studenten hebben zo genoeg middelen in handen om een start te maken.”

(Reformatorisch Dagblad, 21-09-2005)